LIFE IN ICELAND – 21 NOVEMBER 2015 // PAPA, ANNEMIEKE, MARLIES EN DE ZUIDKUST

DSCN1577

Bereid je voor op een héél lang verhaal, dit stuk heeft meer dan 1600 woorden en is in word 3 a4tjes lang, de foto’s die bij dit verhaal horen volgen snel in een aparte blog!

Omdat het vrijdag te laat was om nog boodschappen te doen, besloten Annemieke en ik naar 1011 te lopen. Niet mijn favoriete supermarkt (want een stuk duurder dan Bonus), maar wel de enige die open was om 8 uur ’s ochtends. Uiteindelijk liepen we om half 9 de deur uit, samen met mijn vader. Niet veel later kwamen we terug met een tas vol met eten én verse broodjes van de bakker.

We kookten eitjes, sneden brood in stukken, aten aardbeien en dronken sinaasappelsap om vervolgens rond 10 uur op pad te gaan. Ik keek nog een laatste keer naar het weerbericht én de webcams die langs de wegen staan en besloot daarna dat de zuidkust goed te doen moest zijn.

We stapten in de auto en reden richting het zuiden. Eerst Reykjavík uit, langs de Bláfjöll bergen, wat tevens een skigebied is als er genoeg sneeuw ligt, langs de plek waar we ons ongelukje hadden in oktober en vervolgens de bergen weer naar beneden richting Hveragerði, de stad van de kassen. Onderweg speelde ik reisgids en gooide ik alle informatie die ik in mijn hoofd had zitten eruit, onder andere over de bergen aan de linkerkant, iets voorbij de Bláfjöll. Daar klommen mensen vroeger de berg op als er sneeuw lag en dan konden ze uiteindelijk een keer naar beneden skieen, ik vond dat zo´n grappig feitje, dat vergeet ik nooit meer. En mochten jullie ooit naast mij in de auto zitten in IJsland dan kan ik je ook precies de berg aanwijzen waar het dan over gaat.

Goed, we reden door (eigenlijk langs) Hveragerði door naar Selfoss en vervolgens door naar Hella, waar we een pitstop maakten. Even snel plassen en wat eten inslaan voor Marlies (want die lustte niets van wat we hadden gekocht in Reykjavík). De Urriðafoss sloegen we over, deze waterval is heel tof hoor, maar als je niet veel tijd hebt en zo ver mogelijk het zuiden langs wil rijden… beter overslaan. (Plus ik realiseerde me pas dat deze waterval er zat toen we er al voorbij waren).

Na Hella reden we het hele stuk door naar de Seljalandsfoss. Daar aangekomen bleek dat er géén tourbussen stonden, dus we hadden de waterval vrijwel helemaal voor onszelf. Heel erg fijn! We maakten foto’s, klommen de veel te gladde trap aan de zijkant op (er lag alleen maar ijs op) en gingen diezelfde trap weer af, omdat het achterlangs lopen niet te doen was. Vervolgens liepen we naar mijn waterval. Mijn favoriete waterval: Gljúfrabúi. Helaas was het vrijwel onmogelijk om daar de grot in te lopen, maar we konden ‘m van buiten ook prima zien hoor, er was namelijk helemaal NIEMAND te bekennen.

Na een rondje lopen, vissen kijken in de riviertjes die er stroomden en de grotten in duiken –vonden mijn zusjes vooral heel leuk- liepen we terug naar de Seljalandsfoss en vervolgens terug naar de auto. Mijn vader is nogal gek van vissen, dus die bleef maar achter die beesten aan gaan, het hele veld door en vervolgens sprong ie over het kleine beekje om weer bij ons uit te komen.

Vanaf de Seljalandsfoss reden we door naar de Skógafoss. Je weet wel, die enorme waterval. Stuk indrukwekkender dan Seljalandsfoss. Zo’n 60 meter hoog en een lading trappen ernaast waar je u tegen zegt als je die beklimt. Maar niet voordat we eerst langs de niet uit te spreken vulkaan reden natuurlijk. De Eyjafjallajökull. Ik kan ‘m intussen wel uitspreken hoor, maar hij blijft lastig. We hadden ontzettend veel geluk met het weer, waardoor we een kraakhelder uitzicht hadden op de top van de vulkaan, die compleet bedekt is met sneeuw en ijs (het is immers een gletsjer). Om ‘m even duidelijk uit te leggen: Eyja betekent eiland, fjalla betekent bergen en jökull betekent gletsjer. De naam betekent dus eigenlijk eiland-bergen-gletsjer. We maakten hier geen stop, maar omdat de zuidkust nu ook weer niet zó druk bezocht is, konden we er heel langzaam langs rijden om een goed beeld te krijgen van de vulkaan. En daarbij moet ik eerlijk zeggen: het eyjafjallajokull centre wat je langs de weg vind… niet zo heel erg boeiend (sorry).

Vanaf daar waren de Westman eilanden trouwens ook bizar goed te zien. Lang leven het heldere weer. De Vestmannaeyjar is een plek waar ik echt heel graag nog naartoe wil, maar goed. Die mooie eilandjes waren dus super duidelijk te zien voor de verandering. Geen laaghangende bewolking, geen mist, geen regen. Alleen helder weer. Perfect!

In ieder geval waren we dus onderweg naar de Skógafoss, waar we niet heel veel later aankwamen. Dankzij de prachtige heldere lucht én het zonnetje hing er een mooie regenboog boven de waterval en we besloten de trappen op te lopen om ‘m van boven te bekijken. Zestig meter hoog dus, maar die trappen maakten een omweg van jewelste waardoor we hijgend en puffend naar boven liepen. Boven aangekomen was het uitzicht mooi, maar niet extreem bijzonder. Ik vind deze waterval van beneden toch mooier… Wel kon ik nog een leuke legende vertellen over dit watervalletje (60 meter hoog, 25 meter breed.. mag ik ‘m dan watervalletje noemen?). De legende gaat namelijk dat een van de kolonisten van Ijsland een kist met goud achter/onder de waterval verstopt heeft. Er is weleens geprobeerd deze te vinden (logisch) en het bewijs daarvan ligt in het Skógar museum (zo’n 10 minuten van de waterval vandaan, lopend). Daar ligt namelijk een ring van de kist die is afgebroken toen een tweetal mannen de kist met een lange stok het water uit probeerden te vissen.. Misschien moet ik dat volgende keer ook maar doen?

Na nog een poging om zo dicht mogelijk bij de waterval te komen, die inmiddels voor een deel ook bevroren is (of ja, het opstuivende water is tegen de muren aan bevroren) besloten we terug naar de auto te lopen en vanaf daar door te rijden naar onze volgende en laatste stop van de dag: Reynisfjara. Het zwarte zand strand van Vík met de prachtige Reynisdrangar in de zee en Dyrholaey aan de andere kant.

Eerst langs de Solheimajokull waar ik twee dagen eerder op had gestaan, dus die moest ik wel even vanuit de verte aanwijzen natuurlijk. Ik besloot dat het geen goed plan was die weg te pakken, omdat ie nogal… tja.. het is niet echt een weg eigenlijk. Daarna reden we dus al langs Dyrholaey, die prachtig uitstak in het oranje licht. Ik heb het nog nooit zo mooi gezien. En na een paar hele steile heuvels (iets met 10% en 12% steiging op ‘n heel kort stukje) kwamen we bij de afrit naar Reynisfjara aan. Eenmaal op het strand aangekomen moest ik natuurlijk eerst even een waarschuwing voor de gevaarlijke golven eruit gooien, maar dat zagen ze later ook met eigen ogen ;).

We liepen het zwarte strand op, keken naar Dyrholaey in de verte en liepen vervolgens richting de basaltkolommen die uit de rotsen op het strand staken. Ik vertelde de legende van de Reynisdrangar (de rotsen in de zee) en mijn zusjes vonden het maar raar geloof ik. We liepen de hoek om waar je met harde wind niet omheen kan lopen en keken naar boven naar de enorme kliffen en de vogels die daar zaten. We gingen de grot in, maakten foto’s op de basaltkolommen en keken naar de zon die langszaam een beetje aan het ondergaan was. De kleuren werden steeds mooier en toen we met z’n vieren op de basaltkolommen in de rotswand zaten kwam er ineens een hele grote golf aan. Ik en m’n vader hoorden ‘m aankomen, ik trok mijn zusje naar me toe (want die stond een stukje voor ons) en mijn vader schreeuwde naar een paar mensen die met hun rug naar het water stonden. Net op tijd was iedereen weg. De golf kwam tot onder aan de rotswand en had zomaar die mensen mee het water in kunnen slepen.

Na nog een lading foto’s stapten we weer in de auto en reden we de hele weg terug. De zon zakte langzaam in de zee, zorgde ondertussen voor een prachtige roze gloed over de gletsjers waar we langsreden. Ik denk dat de zon onder was toen we net voorbij de Seljalandsfoss waren en nog ongeveer een uurtje terug moesten naar Reykjavik. Echt donker was het nog niet, omdat het niet bewolkt was, dus dat was wel fijn rijden. Ook omdat de wegen in Ijsland vrijwel nergens verlicht zijn. We reden weer door Hella, Selfoss en vervolgens Hveragerdi om daar die stomme bergpas weer op te rijden. Echt. Ik haat dat stukje waar je de berg op moet. Het is zó steil omhoog, met zulke scherpe bochten en géén vangrail. Daarbij was het ook nog eens glad, dus ik was maar wat blij dat we een goede, stevige auto hadden en mijn vader achter het stuur zat.

Ook toen we eenmaal de berg over waren en weer op de ‘normale’ weg reden (nog steeds op de bergpas, maar over het hoogste gedeelte) vond ik ‘t niet zo heel tof. Het is aan de Reykjavík kant van de berg altijd veel gladder en besneeuwder dan aan de andere kant, dus tja. Ja. Nee. Ik vind het geen fijn stuk. Maar we waren er zo voorbij en voor ik het wist zaten we al weer in Reykjavik, waar we eerst naar de supermarkt reden voor wat eten, vervolgens naar het appartement om het eten in de koelkast te stoppen en daarna door reden naar Potturinn og Pannan voor ons avondeten. Fijn restaurant. Daarna weer terug naar het appartement, even foto’s kijken en gaan slapen, want ook zondag zou weer een volle dag worden (met een stuk slechter weer dan vandaag).

Hier vind je de bijbehorende foto’s: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4. En hier de bijbehorende vlog.

Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *