LIFE IN ICELAND – 06 SEPTEMBER 2015 // ZUIDKUST

SOUTHCOAST blog
Zes uur. Ik zit rechtop in bed. Mijn wekker is nog niet eens gegaan, maar de hele nacht schrok ik telkens al wakker, want ik wilde dus echt mijn wekker niet missen vandaag. Ik besluit maar een warme douche te nemen, een stukje in mijn boek te lezen en goed te ontbijten. Daarna pak ik al het eten voor vandaag, gooi het in een plasticzak en ben klaar voor de roadtrip.

Om acht uur zie ik een auto voorrijden, maar eigenlijk ben ik, ondanks dat ik al twee uur wakker ben, nog niet helemaal klaar. Ik ren naar buiten en zie dat Kaia en Kristine al voor mijn deur staan, ik laat ze binnen en loop naar de auto toe. Daar moet ik mijn rijbewijs even laten zien en vervolgens kunnen we eigenlijk meteen al vertrekken. Ik haal al mijn spullen, gooi ze in de achterbak en ga naast de jongen van het verhuurbedrijf zitten. Hij rijdt ons naar waar we de auto ’s avonds/morgenochtend moeten afleveren, vertelt ons hoe en wat en gaat er dan vandoor.

Eerst rijden we naar de camping van Reykjavik, waar Astrid en Hanne voorlopig nog even wonen. Daar aangekomen staan ze al te wachten en springen meteen in de auto. Klaar om te vertrekken. We voeren het adres van de Seljalandsfoss waterval in de navigatie en rijden die kant op. De eerste anderhalf uur vanaf Reykjavik is er vrijwel niets te zien, dus dat stuk rijden we gewoon in een keer door.

Bij de Seljalandswaterval aangekomen kunnen we alleen maar met open mond staan kijken. Wat. Een. Waterval. Het valt reuze mee met de drukte (ik denk dat we precies voor de grote tourbussen aankwamen) en we maken heel erg veel foto’s lopen overal langs en gaan vervolgens achter de waterval langs. Er loopt namelijk een pad achter de waterval, dat is wat deze waterval zo bijzonder maakt. Ondertussen maken we nog veel meer foto’s en gaat er iemand heel hard onderuit. Hij glijdt zo naar beneden, maar het lijkt goed te gaan. We gaan voorzichtig verder en na een rondje om de waterval dwing ik iedereen mee te komen naar de ‘cave-waterfall’. Ik had geen idee wat de naam was, maar ik wist dat er een waterval in een grot was en ik MOEST er naartoe.

We lopen de 500 meter naar de waterval in de grot, die Gljufrarbui blijkt te heten, en ondertussen proberen Astrid en Kristine nog een berg te beklimmen, aangezien ik al zag hoe glad het was heb ik het maar niet gewaagd. Ik liep de grot in, of ja. Ik deed hink-stap-sprong over de stenen die boven het water uitkwamen, want natuurlijk kun je niet zomaar de grot inlopen. Er loopt een riviertje (dankzij de waterval uiteraard) uit de grot, maar gelukkig is er een aardig pad aan stenen en kun je dus prima de grot in. Als je bang bent om nat te worden, moet je ‘m even overslaan, hoewel je van de Seljalandsfoss natter wordt.

In de grot kon ik alleen maar met open mond naar boven staren. De Seljalandsfoss was echt prachtig, maar deze waterval?! Magisch. Hij komt met een gedonder van jewelste naar beneden gestort. Het licht valt precies zo dat je de groene bemoste muren perfect kunt zien, een enorm rotsblok ligt in het midden van de rots, vlak voor de waterval. Vogels vliegen over je heen en er is niets, geen geluid behalve het kletteren van het water. Nog langer dan bij de Seljalandsfoss heb ik bij deze waterval gestaan, met open mond staan kijken naar het natuurgeweld. Naar de natuurpracht. Wie had dat ooit gedacht? Zo’n prachtige waterval. In. Een. Grot.

We lopen terug naar de auto, een volkswagen polo, en ik stap weer achter het stuur. Af en toe filmt Hanne wat stukken van de weg met mijn GoPro. We rijden langs een groep paarden die de weg oversteekt, moeten stoppen voor een kleine file (van wel 10 auto’s), omdat er een paard door de reling van de brug heen gevallen lijkt te zijn, rijden langs heel veel koeien en schapen, slaan de Skogafoss waterval over (die wilden we bewaren voor de terugweg, maar daar hadden we geen tijd meer voor) en een prachtige gletsjerarm slaan we ook over (ook om op de terugweg langs te rijden, maar geen tijd) en na ongeveer een half uur rijden komen we aan bij Dyrholaey.

We rijden een weg op die niet bestaat volgens de navigatie, de berg op. De klif op. En als we uitstappen kunnen we geen woord uitbrengen, niet alleen van de wind, maar van de onwerkelijkheid van dit tafereel. Een enorme klif. In de zee. Een zwart strand. Zwarte stenen, zwart zand. Golven die zo hard aankomen dat je af en toe weg moet rennen. En dan mini-eilandjes vlak voor de kust. En de kliffen in zee, lijken natuurlijke bruggen te vormen. En als je dan aan de andere kant kijkt zie je drie enorme pilaren uit de zee steken. Als spijkers. Als een soort eenhoornhoorns. En dan klim je de berg op en het wordt alleen maar bizarder. De stenen zien eruit alsof ze super comfortabel zouden liggen, zacht zouden zijn en als je voelt lijkt het ook echt zacht. Kleine poeltjes met water, felgroen zeewier en kleine rode beestjes die op zwemmende mieren lijken. De bizarste natuurlijke brug die je ooit hebt gezien, waar het water de stenen onder vandaan heeft geslagen. Nog meer zwarte stranden. Het is onbeschrijfelijk. Zelfs mijn foto’s doen geen recht aan het prachtige en bizarre landschap.

Vanaf de klif bij Dyrholaey wilden we nog de berg op rijden, aangezien nergens aangegeven was dat het een F-weg was, die alleen voor 4×4 auto’s begaanbaar zijn, wilden we het proberen. Maar zodra we zagen hoe stijl de weg de berg op klom besloten we om te keren en richting Vik te rijden. Daar wilden we gaan lunchen en de zwarte zandstranden van nog dichterbij bekijken. We reden over een weg die je eigenlijk niet echt een weg mag noemen en reden bijna een vogel aan. Achteraf bleek dat deze grote vogels eigenlijk nog baby vogels zijn, ze kunne nog niet vliegen en verwarren de wegen met rivieren. Gelukkig reden we in slakkentempo en kon ik het beest ontwijken terwijl hij probeerde van de weg af te kruipen. Eenmaal op het strand aangekomen maakten we wat foto’s bij de Reynisdrangar. De drie gekke punten die uit de zee staken. Als eenhoornhoorns of misschien een rare, zwarte drietand.

Het zwarte zand was bijna nog bizarder dan de drietand en na een paar foto’s reden we naar de toeristeninformatie/restaurant om daar wat te gaan eten. Ik at mijn pasta en de rest haalde een hotdog. Tijdens het eten besloten we om toch naar de gletsjermeren te rijden, ook al was dat nog 2,5 uur rijden. We stapten in de auto en eigenlijk vanaf dat moment verbaasden we ons alleen maar over de enorme gletsjer waar we omheen reden, waar we langs reden en het landschap wat letterlijk elke 5 minuten totaal anders was. Van felgroen met bomen en watervallen op de achtergrond tot een dor grauw landschap met in de verte gletsjerarmen. Het leek op sommige plekken alsof de wolken als een waterval naar beneden vielen, maar dat waren gewoon de enorme gletsjers. Wat een bizar gezicht. Ik was blij dat ik Astrid dat stuk liet rijden, zodat ik ongegeneerd heel veel foto’s kon maken.

Na 2,5 uur rijden kwamen we aan bij het eerste gletsjermeer, maar we besloten naar de bekendere door te rijden, we reden de brug over en zagen de felblauwe ijsbergen onder ons doorschieten, de zee in. Gillend van geluk reden we het laatste stukje de parkeerplaats op, waar ik eerst als een idioot de wc in dook. Daarna rende ik naar het meer en kon ik alleen maar staren. Wat een bizar tafereel. Felblauwe ijsblokken dreven in het rond, enorme grijze ijsbergen die er waarschijnlijk al een paar jaar ronddrijven, kleine doorzichtige stukjes ijs eindigden op het strand, klaar om opgeraapt te worden, met de enorme Vatnajokull gletsjer op de achtergrond en dan ineens tussen de ijsbergen allemaal zeehondjes. Aan het spelen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Alsof dit hele schouwspel doodnormaal is. Alsof je dit zo overal kunt tegenkomen.

Zelfs na het aanraken van de stukken ijs kon ik niet helemaal geloven dat het écht, echt was. Het zag er te onwerkelijk uit. Alsof ik op Antarctica beland was, terwijl ik toch echt nog in Europa zat. De zon brak door de wolken en liet de felblauwe ijsschotsen nog blauwer lijken, ik trok mijn jas uit en ging er bij zitten. Op het zwarte zand, in de zon, kijkend naar ijsschotsen en kon alleen maar denken: dit is de allermooiste plek op aarde.

Na zeker een uur besloten we om te keren en de 2,5 uur terug naar Vík te rijden, we reden langs hetzelfde bizarre landschap, maar deze keer zat ik weer achter het stuur (zodat Astrid de laatste 2,5 uur terug naar Reykjavik kon rijden). En toen we na 2,5 uur in Vik aankwamen was het al aardig donker geworden. We kochten wat eten en zetten onze tocht terug naar Reykjavik voort. Hoewel we eigenlijk nog hadden willen stoppen bij de Skogafoss én de heel makkelijk bereikbare gletsjerarm hadden we daar gewoon echt geen tijd meer voor. Daarbij opgeteld dat het al donker was én het ineens als een gek begon te regenen lieten we die stops maar voor wat ze waren.

Het laatste stuk was het ontzettend mistig en reden we denk ik nog maar 30km/u over de bergen heen terug naar Reykjavik. Doodeng, maar het kwam allemaal goed en met een kleine vertraging door de snelheid (die we dus niet hadden, haha) kwamen we rond 11 uur weer aan in Reykjavik. Daar zetten we Hanne en Astrid af op de camping en reden we door naar de parkeerplaats waar we de auto moesten achterlaten. We pakten onze spullen en ik liep samen met Kristine, die haar fiets bij mij voor de deur had gezet, naar mijn kamer door de regen.

Die nacht heb ik ontzettend slecht geslapen. De helft van de tijd dacht ik dat ik nog in de auto zat en aan het rijden was en de andere helft schoot ik wakker, omdat ik dacht dat alles een droom was geweest. Wat een bizarre dag. Wat een bizar land is IJsland.

Hier vind je de bijbehorende foto’s: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4. En hier de bijbehorende vlog.

Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *